Meest gebruikte Duitse woorden – 10 Duitse woorden en zinnen die iedereen zou moeten kennen

Duits lijkt een beetje op Nederlands en daarom kunnen veel mensen de Duitse taal redelijk goed verstaan, ook zonder enige kennis van de taal. Maar wat als je zelf een woordje Duits moet spreken? Dan is het handig om in ieder geval de meest gebruikte woorden en zinnen uit de Duitse taal te kennen. Deze zetten we in dit artikel voor je op een rijtje.

1: Wie geht es dir?

Wil je weten hoe het met je gesprekspartner gaat? Dan vraag je ‘Wie geht es dir?’. De formele variant van deze vraag, ‘hoe gaat het met u?’, is ‘Wie geht es Ihnen?’.

2: Auf wiedersehen!

Natuurlijk is het ook handig om in het Duits ‘tot ziens’ te kunnen zeggen. Als je iemand gedag wil zeggen in het Duits, gebruik je hier de zin ‘auf wiedersehen’ voor.

3: Bitte sehr

‘Bitte sehr’ betekent ‘alstublieft’. Wil je ‘dank u wel’ zeggen? Dan zeg je ‘vielen dank’.

4: Wie viel kostet es?
Als je niet weet wat iets kost, vraag je ‘wie viel kostet es?’. Nu krijg je vanzelf te horen wat je moet betalen voor het betreffende product of de dienst die je mogelijk af wil nemen. Wel zo fijn, want dan kom je in ieder geval niet voor (onaangename) verrassingen te staan.

5: Darf ich bitte die Rechnung haben?

Als je af wil rekenen in een café, restaurant of hotel, is het handig om te weten hoe je de rekening op een nette manier kunt vragen. De beste manier om een medewerker van het café, restaurant of hotel om de rekening te vragen, is door de vraag ‘darf ich bitte die Rechnung haben?’ te stellen.

6: Wie sagt man das auf Deutsch?

Ook als je vrij goed Duits spreekt, zijn er altijd wel een paar Nederlandse woorden die je niet naar het Duits kunt vertalen. Als je wil weten hoe je iets moet zeggen in het Duits, vraag je ‘wie sagt man das af Deutsch?’. Wil je bijvoorbeeld weten wat ‘trui’ in het Duits is, dan kun je naar je trui wijzen en deze zin uitspreken. Nu krijg je vanzelf het juiste Duitse woord te horen. Handig!

7: Können Sie das wiederholen?

Als je iets niet goed hebt verstaan, spreek je deze zin uit. ‘Können Sie das wiederholen?’ betekent namelijk ‘kun je dat herhalen?’. Wil je een bepaald woord of een bepaalde zin laten spellen, dan vraag je ‘können Sie das buchstabieren?’.

8: Wie heißt du?

Wil je weten hoe iemand heet, dan vraag je ‘wie heißt du?’. Stel je jezelf voor, dan zeg je ‘ich bin’ en dan je naam. Als je ook nog wil weten hoe oud je gesprekspartner is, vraag je ‘wie alt bist du?’.

9: Guten appetit!

Als je gaat eten, zeg je netjes ‘guten appetit’ voor je daadwerkelijk aan de maaltijd begint. Nu heb je je tafelgenoten namelijk smakelijk eten gewenst en dit is wel zo netjes.

10: Prosit!

Neem je ook een drankje bij de maaltijd en wil je proosten? Dan hef je de glazen en zeg je ‘prosit’. Dit is Duits voor ‘proost’.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.